Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres 1] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
Ter zitting heeft verweerder zich in dit verband op het standpunt gesteld dat artikel 16 van Pro de Dublinverordening gaat om afhankelijkheid van hulp, niet of de moeder van eiseres 1 er baat bij heeft dat haar dochter in Nederland blijft.
Ten aanzien van de psychische problematiek van eiseres 1 zelf stelt verweerder zich op het standpunt dat zij haar gezondheidssituatie onvoldoende heeft onderbouwd. Evenmin heeft eiseres 1 aangetoond dat de voor haar benodigde medische voorzieningen niet in Duitsland beschikbaar en toegankelijk zijn. Dit brengt ook met zich mee dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven voor toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Daarbij merkt verweerder ook op dat niet is gebleken dat het voor eiseres 1 niet mogelijk is om contact met haar moeder te onderhouden na een overdracht aan Duitsland.
De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde stukken weliswaar niet blijkt dat de moeder van eiseres 1 voor haar zorg afhankelijk is van concrete (fysieke) hulp van eiseres 1 zelf, maar dat verweerder door dit standpunt in te nemen, niet heeft onderkend dat volgens de beoordeling van de psychiater en de huisarts juist de aanwezigheid van eiseres 1 als zodanig zeer waarschijnlijk noodzakelijk is voor het slagen van de benodigde behandelingen van de moeder van eiseres 1. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3145), waarin de Afdeling in een soortgelijke zaak tot dezelfde conclusie is gekomen. Gelet op de informatie van de psychiater had het op de weg van verweerder gelegen nader te onderzoeken of daarin een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres 1 en haar moeder is gelegen.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet, zonder advies te vragen van het Bureau Medisch Advisering (BMA), in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen haar en haar moeder een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening bestaat. Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De overige gronden van beroep behoeven geen bespreking meer.