ECLI:NL:RBDHA:2018:10619
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenverplichting Participatiewet
Eiser ontving vanaf juni 2015 een bijstandsuitkering die per 1 januari 2017 werd beëindigd. Verweerder legde een boete op wegens het niet naleven van de inlichtingenverplichting, specifiek omdat eiser zijn hoofdverblijf niet op het opgegeven adres zou hebben gehad. De rechtbank onderzocht of deze schending gedurende de gehele periode was bewezen en of de boete terecht was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat eiser tussen 28 juni 2015 en 14 oktober 2016 niet op het opgegeven adres verbleef, gebaseerd op een extreem laag waterverbruik, pintransacties en bankafschriften. Voor de periode van 15 oktober tot 31 december 2016 was dit niet bewezen. Verweerder had ten onrechte het volledige benadelingsbedrag voor de hele periode gebruikt bij het bepalen van de boete.
Verder was grove schuld niet aannemelijk, omdat eiser niet met een aan opzet grenzende nalatigheid had gehandeld. Het weigeren van een huisbezoek na de periode in geding was hiervoor onvoldoende. De rechtbank mat de boete op basis van normale verwijtbaarheid en draagkracht van eiser en stelde deze vast op €1195,87. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €1195,87 wegens onvoldoende bewijs van grove schuld en te hoog vastgesteld benadelingsbedrag.