ECLI:NL:RBDHA:2018:10679
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Afghaanse vluchteling wegens ongeloofwaardigheid bekering en verkrachtingsclaim
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van asiel, stellende dat hij zich van de islam had afgekeerd en humanist was geworden. Tevens vreesde hij represailles wegens een verkrachting door zijn neef en mogelijke eerwraak van zijn vader. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn afstand van de islam en bekering tot het humanisme niet geloofwaardig had gemaakt en ook zijn verkrachtingsclaim niet aannemelijk was.
De rechtbank overwoog dat eiser tegenstrijdige verklaringen had afgelegd over zijn geloofsafval en onvoldoende kon uitleggen waarom hij zich van de islam had afgekeerd. Zijn kennis van het humanisme was beperkt en hij kon niet overtuigend verklaren over zijn bekering. Ook zijn verklaring over de verkrachting werd ongeloofwaardig geacht, mede omdat hij dit niet eerder had gemeld. Daarnaast was er geen sprake van een artikel 15c-situatie in Afghanistan die een verblijfsvergunning zou rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.