Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
Procesverloop
Overwegingen
e standstill-bepaling
Rechtbank Den Haag
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als zelfstandige in Nederland, welke door verweerder werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het ondernemingsplan en een negatief advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO). Na vernietiging van een eerdere beslissing op bezwaar door de rechtbank, legde verweerder het advies opnieuw voor aan de RvO, die wederom negatief adviseerde vanwege het ontbreken van onderscheidend vermogen en de onvoldoende levensvatbaarheid van de onderneming.
Eiser voerde aan dat de RvO een strengere toetsingsmaatstaf hanteert dan in eerdere jaren, wat in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel en de standstill-bepaling. Ook stelde hij dat het advies onvolledig was en dat hij voldoende financiële stukken had ingediend. De rechtbank oordeelde echter dat eiser geen concrete aanknopingspunten had geleverd om aan het advies van de RvO te twijfelen, zoals een contra-expertise of een concurrentieanalyse.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en concludeerde dat het negatieve advies van de RvO zorgvuldig en inzichtelijk was tot stand gekomen. De verschillen in toetsingsmaatstaf over de jaren en marktontwikkelingen zijn niet in strijd met de standstill-bepaling. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.