Verzoeker, een Kameroense nationaliteit bezittende asielzoeker, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen, waardoor een eerder terugkeerbesluit herleefde.
Verzoeker stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de behandeling van het beroep in vrijheid in Nederland mocht afwachten. Hij verwees daarbij naar het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak Gnandi, waarin werd geoordeeld dat beroep tegen een terugkeerbesluit schorsende werking moet hebben.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om invrijheidstelling niet-ontvankelijk was omdat de inbewaringstelling los stond van het bestreden besluit. Wel werd het verzoek toegewezen voor zover het ging om het toekennen van schorsende werking aan het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring, om uitvoering van het terugkeerbesluit te voorkomen en de rechten uit de Opvangrichtlijn te waarborgen.
De voorzieningenrechter veroordeelde de Staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van € 501,- en wees het verzoek voor het overige af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.