Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.[verweerder sub 1],
[verweerder sub 2],
[verweerder sub 3],
Rechtbank Den Haag
Verzoekster trad op 30 december 2014 in dienst bij verweerder als medewerkster telefonische verkoop. Zij meldde zich op 28 februari 2018 ziek met griep en verscheen op 14 en 15 maart 2018 weer op het werk. Verzoekster stelde dat zij nog ziek was en dat de opzegging van haar arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2018 in strijd was met het opzegverbod wegens ziekte.
Verweerder betwistte dit en stelde dat verzoekster zich op 13 maart 2018 beter had gemeld en op 14 en 15 maart 2018 aanwezig was op het werk. Het UWV verleende de ontslagvergunning op 14 juli 2018, waarbij het oordeelde dat de eerste ziektedag 19 maart 2018 was, zodat geen opzegverbod van toepassing was.
De kantonrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende feiten had gesteld om aan te tonen dat zij op 14 en 15 maart 2018 wegens ziekte niet had kunnen werken. Het feit dat zij nog naweeën van griep had, was onvoldoende om het opzegverbod te doen gelden. Daarom werd het verzoek tot billijke vergoeding afgewezen en werd verzoekster veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot billijke vergoeding wegens schending van het opzegverbod wegens ziekte wordt afgewezen.