ECLI:NL:RBDHA:2018:3576
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom en onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM
Eiser, een Afghaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende vervolgingsgevaar in Afghanistan. Hij stelde dat hij als analfabeet Engelse les volgde, waar hij in aanraking kwam met het christendom en zich bekeerde. Na zijn bekering zou hij bijbels hebben verspreid en geprobeerd hebben deze te vertalen, wat leidde tot bedreigingen en verstoting door zijn omgeving.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens kennelijke ongegrondheid, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk was bekeerd tot het christendom. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat de verklaringen van eiser over zijn bekering vaag, tegenstrijdig en onwaarschijnlijk waren. Ook werd het ontbreken van relevante documenten en het mogelijk opzettelijk vernietigen van zijn paspoort meegewogen.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, hoewel zorgelijk, niet zodanig uitzonderlijk is dat een reëel risico op ernstige schending van artikel 3 EVRM Pro aannemelijk is. De rechtbank volgde daarmee eerdere jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak.
Gelet op deze bevindingen werd het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige bekering en onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM.