ECLI:NL:RBDHA:2018:3624
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wegens onvoldoende motivering gevaar openbare orde
Eiser, sinds 1986 rechtmatig in Nederland verblijvend en houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd sinds 2001, werd geconfronteerd met intrekking van deze vergunning en een opgelegd inreisverbod vanwege meerdere veroordelingen voor ernstige misdrijven. Verweerder beriep zich op artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en stelde dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormde.
Eiser betwistte de toepassing van de juiste openbare orde toets, verwijzend naar het arrest Z.Zh. en I.O. van het Hof van Justitie van de EU, en stelde dat er geen actueel en daadwerkelijk gevaar was. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder diens drugsverslaving, en dat de aard van de gepleegde misdrijven niet voldoende was toegelicht om het inreisverbod te rechtvaardigen. Hierdoor werd het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
Ook het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning werd gegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het gevaar voor de openbare orde.