ECLI:NL:RBDHA:2018:4253
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs en oplegging alcoholonderzoek
Verzoeker was betrokken bij een ernstig eenzijdig verkeersongeval waarbij hij een bloedalcoholgehalte van 1,99 promille had. De politie meldde op 9 december 2017 het vermoeden dat verzoeker niet meer geschikt was om een motorrijtuig te besturen. Het rijbewijs werd op 8 december 2017 ingevorderd en later op 15 januari 2018 door het CBR teruggegeven met de mededeling dat er geen reden meer was om het rijbewijs te houden.
Op 13 februari 2018 ontving het CBR een nieuwe melding van de politie dat verzoeker niet langer geschikt zou zijn, gebaseerd op het hoge alcoholgehalte. Op grond hiervan schorste het CBR op 14 maart 2018 de geldigheid van het rijbewijs en legde een onderzoek naar alcoholgebruik op.
Verzoeker stelde dat hij mocht vertrouwen op de brief van 15 januari 2018 en dat de beslistermijn van vier weken was overschreden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de termijn niet fataal is en dat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen schept dat geen onderzoek meer zou volgen.
Het vermoeden van ongeschiktheid is gebaseerd op het proces-verbaal van de politie en het NFI-rapport, welke niet zijn bestreden door verzoeker. De rechtbank concludeert dat het CBR bevoegd was het onderzoek op te leggen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot schorsing van het rijbewijs en oplegging van een alcoholonderzoek wordt afgewezen.