Eiseres kocht in 2009 aandelen in een BV voor € 950.000 en verkocht deze dezelfde dag door voor € 1.500.000 aan een groepsmaatschappij die failliet ging in 2012. Eiseres waardeerde de vordering op deze groepsmaatschappij in 2011 af tot nihil, wat verweerder niet in aftrek toeliet. De rechtbank oordeelt dat het bestaan van de vordering boven de aankoopprijs niet aannemelijk is en dat het resterende deel een onzakelijke lening betreft.
De rechtbank volgt eiseres deels door de winst te verminderen met ten onrechte in aanmerking genomen rente. Tevens is vastgesteld dat de bezwaarprocedure langer duurde dan redelijk, waardoor eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 250, gedeeld met een andere belanghebbende.
De aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd tot een belastbaar bedrag van € 1.010.953. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 19 april 2018.