Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres
de burgemeester van Den Haag, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
De burgemeester van Den Haag heeft een woning voor zes maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege een ernstig vermoeden van drugshandel. De sluiting volgde op politieonderzoeken waarbij aanzienlijke hoeveelheden hard- en softdrugs en een boksbeugel werden aangetroffen. De huurder, eiseres, maakte bezwaar tegen de sluiting en stelde dat zij geen schuld had aan de situatie en dat de maatregel vooral een straf zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de sluiting niet op de persoon van eiseres is gericht, maar op het beëindigen van de drugssituatie in de woning en het beschermen van het woon- en leefklimaat. De rechtbank vindt de maatregel passend en wijst het betoog af dat een gebieds- of huisverbod voor de verdachten effectiever zou zijn. Ook is de toepassing van het beleid door verweerder volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd.
Verder oordeelt de rechtbank dat de sluiting niet in strijd is met de artikelen 3, 6 en 8 van het EVRM. De maatregel heeft een tijdelijk karakter en is gericht op het voorkomen van strafbare feiten. De gevolgen voor eiseres, zoals de ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder, vallen buiten het bestuursrechtelijke geschil. Er is geen aanleiding tot schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt ongegrond verklaard.