ECLI:NL:RBDHA:2018:9720
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opschorting inreisverbod in verband met prejudiciële vragen
Verzoeker is geconfronteerd met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar, uitgevaardigd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tegen dit besluit is beroep ingesteld, maar de behandeling is aangehouden vanwege prejudiciële vragen die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn gesteld.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij behandeld zou worden alsof er geen inreisverbod was. De voorzieningenrechter overwoog dat het wachten op de prejudiciële uitspraak het rechtsmiddel niet ineffectief maakt. Dit is in lijn met vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak.
Daarnaast werd beoordeeld of het persoonlijke belang van verzoeker zwaar genoeg woog om het inreisverbod op te schorten. Verzoeker gaf aan het inreisverbod te accepteren en geen concreet belang te hebben om het op te schorten. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van verzoeker onvoldoende sterk is om het inreisverbod te schorsen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot opschorting van het inreisverbod wordt afgewezen.