ECLI:NL:RBDHA:2019:10227
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsrecht als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan
Eiser, een Belgisch staatsburger, betwistte het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat hij nooit rechtmatig verblijf in Nederland had gehad als gemeenschapsonderdaan. Dit besluit was gebaseerd op het ontbreken van aantoonbare arbeid, een reële kans op werk of voldoende middelen van bestaan sinds zijn laatste inschrijving in de Basisregistratie Personen op 25 april 2014.
Tijdens de bestuursrechtelijke procedure heeft eiser geen overtuigend bewijs geleverd van zijn levensonderhoud, ondanks herhaalde verzoeken. Verweerder stelde terecht dat de bijstandsuitkering van zijn echtgenote niet als relevant inkomen kon worden beschouwd. Eiser voerde aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat een Belgische identiteitskaart en inschrijving in de BRP voldoende waren, maar de rechtbank volgde dit niet.
Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt waarbij persoonlijke omstandigheden van eiser zijn meegewogen, zoals zijn langdurig verblijf in Nederland, eerdere werkzaamheden als schipper, en medische klachten. Desondanks concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende onderbouwing heeft geleverd om zijn verblijf te rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit dat hij geen rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan is ongegrond verklaard.