ECLI:NL:RBDHA:2019:12045
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet ambassadepersoneel
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot vernietiging van zijn ontslag op staande voet door de ambassade van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka en vordering tot schadevergoeding. De procedure kende meerdere zittingen, waarbij de ambassade zich op niet-ontvankelijkheid beriep op grond van het ontbreken van rechtspersoonlijkheid, immuniteit van jurisdictie en overschrijding van de vervaltermijn.
De kantonrechter heeft ambtshalve de bevoegdheid en ontvankelijkheid onderzocht. Uit jurisprudentie volgt dat een ambassade geen rechtspersoonlijkheid bezit en niet als procespartij kan optreden. Daarnaast is het recht op immuniteit van jurisdictie een internationaal gewoonterecht dat ook door de Nederlandse rechter ambtshalve moet worden getoetst.
De gemachtigde van Sri Lanka verscheen vrijwillig enkel om niet-ontvankelijkheid te bepleiten en trad niet op namens de ambassade. De kantonrechter concludeert dat verzoeker een niet-bestaande entiteit als procespartij heeft aangewezen en daarom niet ontvankelijk is. Een inhoudelijke beoordeling van het ontslag en de vervaltermijn blijft achterwege omdat de ambassade niet als partij kan worden beschouwd.
De rechtbank wijst het verzoek af zonder uitspraak over proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat ambassades vanwege immuniteit en gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet als werkgever kunnen worden aangesproken in ontslagzaken.
Uitkomst: Verzoeker is niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vernietiging van ontslag op staande voet door de ambassade.