ECLI:NL:RBDHA:2019:12626
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens verbroken feitelijke gezinsband
Eisers, meerderjarige Syrische kinderen van een referent met een verblijfsvergunning asiel, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De aanvraag werd afgewezen omdat de feitelijke gezinsband tussen eisers en referent volgens verweerder was verbroken voordat de referent Nederland inreisde.
Eisers voerden aan dat eiseres vanwege haar handicap afhankelijk is van haar vader en dat de afwijzing in strijd is met het EVRM en Europese richtlijnen. De rechtbank oordeelde dat herstel van een verbroken gezinsband niet wordt aangenomen en verwees naar het beleid en jurisprudentie die dit ondersteunen.
De rechtbank stelde vast dat eiseres na haar huwelijk zelfstandig ging wonen en dat het feit dat zij later weer bij haar ouders woonde wegens haar handicap niet leidt tot herstel van de gezinsband. Ook de tegenstrijdige verklaringen over de economische afhankelijkheid van eiser en de informatie op zijn Facebookpagina werden als contra-indicaties beschouwd.
De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Een verdere toetsing aan artikel 8 EVRM Pro of de Gezinsherenigingsrichtlijn was niet aan de orde omdat eisers niet voldeden aan de voorwaarden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege verbroken feitelijke gezinsband.