Eiser was in 2011 werkzaam op een binnenschip dat onder de Rijnvarendenovereenkomst viel en waarvan de exploitant een Nederlandse vennootschap was. Hij verzocht om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen voor de periode dat hij voor een Luxemburgse werkgever werkte, maar verweerder weigerde dit.
De rechtbank stelde vast dat eiser in Nederland woonde en onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving viel omdat het schip een Rijnvaartcertificaat had en de exploitant in Nederland gevestigd was. De door Luxemburg afgegeven E106-verklaring werd niet als rechtsgeldig erkend omdat deze was afgegeven onder een oude verordening die niet van toepassing was.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder bevoegd was om de premieheffing vast te stellen en dat de procedurevoorschriften van de relevante EU-verordeningen niet waren geschonden. Ook was er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure, omdat eiser met verlenging had ingestemd.
Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV bleef in stand. Er werd geen immateriële schadevergoeding toegekend en de heffingsrente werd geacht correct te zijn berekend.