ECLI:NL:RBDHA:2019:13716
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing zwaar inreisverbod wegens ernstige bedreiging openbare orde
Eiser, een Afghaanse man die sinds 1998 in Nederland verblijft, verzocht om opheffing van een zwaar inreisverbod en om een verblijfsvergunning voor gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. Dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen omdat eiser volgens artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.
De rechtbank overwoog dat het besluit tot toepassing van artikel 1(F) onherroepelijk is en dat eiser betrokken wordt gehouden bij ernstige misdrijven zoals marteling en executies. Ondanks het tijdsverloop en het ontbreken van strafrechtelijke veroordeling, is er een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de samenleving. Eiser heeft onvoldoende berouw getoond en niet geloofwaardig afstand genomen van de misdrijven.
Ten aanzien van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Afghanistan oordeelde de rechtbank dat dit risico niet langer aanwezig is, mede gelet op recente ambtsberichten en jurisprudentie. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt omdat het algemeen belang bij handhaving van het inreisverbod zwaarder weegt dan het belang van eiser bij gezinsleven in Nederland. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het zwaar inreisverbod wordt ongegrond verklaard.