Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Daartoe heeft eiser nog gesteld dat hij in bewijsnood verkeert om met een officieel document zijn geboortedatum aan te tonen.
Over de door eiser overgelegde doopakte, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat die onvoldoende is om van de geboortedatum [datum 2] 2000 uit te gaan, nu dit geen officieel identificerend document is. Een doopakte zonder foto is onvoldoende om te dienen als document voor leeftijdsvaststelling. Daarbij komt dat uit onderzoek door Bureau Documenten is gebleken dat deze doopakte niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven door de daarop genoemde kerk. Ook de door eiser bij het gehoor overgelegde verklaring van het lokale administratiekantoor waarin wordt bevestigd dat eiser op [datum 2] 2000 geboren is, doet aan het voorgaande niet af, nu dit document slechts een kopie is en onderzoek naar de authenticiteit ervan daarom niet mogelijk is.
“De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.”
“De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documenten in het bezit van verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroute, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.”
Punt 66 luidt als volgt:
“Concreet houdt deze op de lidstaat rustende samenwerkingsplicht in dat, indien de door de verzoeker om internationale bescherming aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig, actueel of relevant zijn, de betrokken lidstaat in deze fase van de procedure actief met de verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven. Bovendien heeft een lidstaat mogelijkerwijze gemakkelijker toegang tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker.”
- de namen die eiser in Italië heeft opgegeven bij de registraties vertonen overeenkomsten met de in Nederland opgegeven naam, maar de geboortedata niet;
- eiser heeft verklaard dat hij ziek was bij aankomst in Italië en heeft verder geen verklaring gegeven voor de verschillende geboortedata die in Italië op verschillende momenten (op 8 mei 2016 en op 9 juli 2016) zijn vastgelegd;
- verweerder heeft de naam van de opgave in Nederland aangehouden;
- er heeft geen leeftijdsschouw plaatsgevonden omdat verweerder is uitgegaan van (één van) de in Italië opgegeven geboortedata;
- eiser heeft een doopakte overgelegd, die op echtheid is onderzocht door Bureau documenten en waaruit is gebleken dat het document niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven door de op het document genoemde kerk;
- eiser heeft een kopie van een identiteitsdocument van zijn moeder overgelegd waarop is vermeld dat zij is geboren in 1980;
- eiser heeft in beroep een family residence card overgelegd die echt is bevonden door Bureau Documenten en waarop de geboortedatum van [datum 2] 2000 en de gegevens van zijn moeder zijn vermeld.
Daarbij komt dat verweerder de kopie van de identiteitskaart van de moeder van eiser in het geheel niet bij de beoordeling heeft betrokken, terwijl dat wel op zijn weg lag.
Ook acht de rechtbank van belang dat verweerder bij de beoordeling ten onrechte niet heeft betrokken in hoeverre eiser een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven en dat vast is komen te staan dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zoals volgt uit artikel 4, vijfde lid, onder a en e van de Kwalificatierichtlijn. Een dergelijke beoordeling blijkt uit het bestreden besluit, noch uit de verweerschriften.
De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiser niet in bewijsnood verkeert ten aanzien van het overleggen van officiële identificerende documenten, onvoldoende heeft gemotiveerd. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser Eritrea illegaal heeft verlaten, zodat het voor hem, zoals hij zelf ook stelt, niet mogelijk is een paspoort te verkrijgen. Het standpunt van verweerder dat eiser over een identiteitskaart heeft moeten beschikken, omdat hij gelet op de registratie in Italië, meerderjarig was toen hij Eritrea verliet, is naar het oordeel van de rechtbank geen toereikende motivering voor het standpunt dat eiser niet in bewijsnood verkeert. Eiser stelt juist dat de registratie in Italië niet correct is en dat hij geen officiële documenten heeft om dit te onderbouwen. De rechtbank merkt in dat verband ook op dat eiser tijdens het aanmeldgehoor op 24 januari 2017 heeft verklaard dat hij Eritrea op 10 november 2015 heeft verlaten. Uitgaande van de (ook in Italië geregistreerde) geboortedatum [datum 1] 1998, was eiser toen nog minderjarig. Nu verweerder niet heeft gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van [datum 1] 1987 als geboortedatum, acht de rechtbank de motivering van verweerder op dit punt ontoereikend.
Ten aanzien van het niet overleggen van de geboorteakte merkt de rechtbank op dat verweerder dit eerst ter zitting heeft tegengeworpen en bovendien niet is ingegaan op de stellingen van eiser waarom hij niet over de geboorteakte beschikt. Eiser heeft namelijk aangevoerd dat zijn geboorte bij de kerk is geregistreerd, maar dat de procedure tot registratie van zijn geboorte bij de gemeente en sub-zoba (provincie) nooit is gevoerd, omdat zijn ouders daarbij geen belang hadden nu het bezit van een geboorteakte naast een doopakte niets toevoegt. Eiser heeft naar aanleiding van de vaststelling van zijn leeftijd in het bestreden besluit zijn moeder gevraagd om zijn geboorte alsnog zodanig te registreren als op pagina’s 24 en 25 van het Algemeen ambtsbericht van februari 2017 over Eritrea is beschreven, zodat hij een geboorteakte met foto kan verkrijgen, maar de autoriteiten weigeren haar verzoek tot op heden, aldus nog steeds eiser. Deze stellingen heeft verweerder niet kenbaar meegewogen bij zijn standpunt.
Het besluit is ook in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
Bij brief van 5 november 2019 heeft eiser de rechtbank in onder meer deze procedure gewezen op de proceskostenvergoeding voor twee zittingen (zitting voor en na de vernietiging door de Afdeling). De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek vanwege deze brief te heropenen.