ECLI:NL:RBDHA:2019:14389
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens status in Bulgarije
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende persoon, diende op 18 juli 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Bulgarije.
Eiser betoogde dat terugkeer naar Bulgarije zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, verwijzend naar arresten van het HvJ EU (Jawo en Ibrahim e.a.). De rechtbank oordeelde echter dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zodanig is dat sprake is van een onrechtmatige situatie, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser een duurzame band heeft met Bulgarije, waar hij ruim negen jaar heeft gewoond, en dat het redelijk is van hem te verlangen terug te keren. Ook de medische situatie van eiser bood geen grond voor het verlenen van individuele garanties of het weerhouden van onmiddellijke terugkeer.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.