ECLI:NL:RVS:2019:2960

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2019
Publicatiedatum
28 augustus 2019
Zaaknummer
201809742/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling tegen niet-ontvankelijkheid verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 29 oktober 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 30 november 2018 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De enige grief betrof de vraag of terugkeer van de vreemdeling naar Bulgarije zou leiden tot een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd geoordeeld dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zodanig slecht is dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. A.W.M. Bijloos.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

201809742/1/V3.
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2018 in zaak nr. NL18.20197 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 30 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over of de vreemdeling als statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM terecht zal komen, heeft de Afdeling bij uitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793, beantwoord. Uit die uitspraak volgt dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zo slecht is, dat sprake is van een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie. Die overwegingen zijn hier ook van toepassing, zodat de grief slaagt.
2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 29 oktober 2018 alsnog ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2018 in zaak nr. NL18.20197;
III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Vonk
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2019
347-888.