ECLI:NL:RVS:2019:2961
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid van beroepen tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvragen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 31 mei 2019 besluiten genomen waarbij aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verkrijgen, niet-ontvankelijk zijn verklaard. De vreemdelingen hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 17 december 2018 de beroepen gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, terwijl de vreemdelingen incidenteel hoger beroep instelden.
De Afdeling heeft het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond. De Raad van State oordeelde dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zodanig slecht is dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro, hetgeen relevant was voor de beoordeling van de asielaanvragen. Hierdoor werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en werden de beroepen van de vreemdelingen alsnog ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de staatssecretaris niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer, waarbij mr. A.W.M. Bijloos als lid en mr. H. Vonk als griffier aanwezig waren. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond, en de beroepen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard.