ECLI:NL:RBDHA:2019:7361
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslagen terecht opgelegd, vergrijpboetes vernietigd wegens ontbreken opzet
Eiser had een lening van €261.468 verstrekt aan zijn zoon, welke niet volledig was opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2012 tot en met 2015. Verweerder legde navorderingsaanslagen op, inclusief vergrijpboetes wegens vermeend (voorwaardelijk) opzet. Eiser stelde dat voor 2014 en 2015 geen nieuw feit bestond en dat de boetes onterecht waren.
De rechtbank oordeelde dat het bestaan van de vordering een nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigde, omdat verweerder hiervan pas na het opleggen van de primitieve aanslagen op de hoogte was gesteld. De navorderingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd. Ten aanzien van de vergrijpboetes stelde de rechtbank vast dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet, mede omdat een deel van de vordering wel was aangegeven en de fouten als slordigheid werden beschouwd.
Verder werd geoordeeld dat verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld door de navorderingsaanslagen klaar te zetten voordat de laatste zienswijze was ingediend. De beroepen van eiser werden gegrond verklaard, de vergrijpboetes vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd, vergrijpboetes worden vernietigd wegens ontbreken van (voorwaardelijk) opzet.