Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2019 in de zaak tussen
[eiser] , van Ugandese nationaliteit, V-nummer [V-nummer] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 18 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 25 februari 2013. Verder heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Daarnaast heeft verweerder geweigerd aan eiser op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in verbinding met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Verder heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen verblijfsrecht heeft op grond van het recht van de Europese Unie. Ten slotte heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Overwegingen
Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder ten onrechte een verblijfsvergunning regulier heeft geweigerd. De toets aan artikel 8 EVRM Pro heeft niet plaatsgevonden in overstemming met WI 2018/11 en ook overigens heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat het weigeren van een verblijfsvergunning regulier geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM Pro. Ten onrechte is hierbij aan eiser tegengeworpen dat hij zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft een Ugandese geboorteakte overgelegd en is bovendien in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel, zodat zijn identiteit door verweerder niet in twijfel is getrokken. Ook de familierechtelijke relatie heeft verweerder niet beoordeeld in overstemming met WI 2018/11. Uit de geboorteakte van [voornaam van minderjarige 1] blijkt dat eiser de vader is. Verder blijkt uit een uittreksel uit het gezagsregister dat de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag zijn belast. Er is sprake van gezinsleven met [voornaam van minderjarige 1] en eiser geeft daaraan ook invulling. Uit een email van de moeder van [voornaam van minderjarige 1] en diverse whatsappberichten tussen eiser en de moeder blijkt dat eiser omgang heeft met en zorg draagt voor [voornaam van minderjarige 1] . Die zorg is extra van belang nu [voornaam van minderjarige 1] een ontwikkelingsachterstand heeft. Er is sprake van beschermenswaardig gezinsleven met [voornaam van minderjarige 1] . Ook heeft verweerder nagelaten om in de beoordeling te betrekken dat [voornaam van minderjarige 1] nauw contact heeft met zijn twee halfzusjes. Het weigeren van een verblijfsvergunning is in strijd met artikel 24 van Pro het EU-Handvest. Op grond van deze bepaling dienen bij alle handelingen betreffende kinderen, de belangen van het kind de eerste overweging te vormen.
.