ECLI:NL:RBDHA:2020:10130
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voorrangsverklaring wegens verwijtbare woonsituatie
Eiseres heeft een aanvraag voor een voorrangsverklaring ingediend nadat zij met haar kinderen vanuit het buitenland naar Nederland verhuisde en tijdelijk bij een kennis en later bij haar dochter in een te kleine woning ging wonen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet buiten eigen schuld en toedoen in een problematische woonsituatie verkeert, aangezien zij zonder passende woonruimte te regelen naar Nederland verhuisde.
Eiseres voerde aan dat er sprake is van een schrijnende situatie, met name vanwege de psychische gesteldheid van haar dochter, en dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd zou zijn. Ook stelde zij dat het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) betrokken moet worden bij de beoordeling.
De rechtbank oordeelde dat eiseres nog procesbelang heeft omdat zij haar baan heeft moeten opzeggen door de verhuizing. De rechtbank volgde verweerder in het standpunt dat eiseres verantwoordelijk is voor haar woonsituatie en dat de strikte toepassing van de Huisvestingsverordening niet onredelijk is. De hardheidsclausule werd niet toegepast vanwege het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voorrangsverklaring wordt ongegrond verklaard.