ECLI:NL:RVS:2018:4162
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toeslagen wegens onrechtmatig verblijf toeslagpartner
Appellante had voor de jaren 2012, 2013 en 2014 zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag aangevraagd. De Belastingdienst/Toeslagen herzag deze toeslagen naar nihil voor perioden waarin haar ex-partner onrechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank oordeelde dat appellante over die periodes geen aanspraak heeft op toeslagen, omdat haar toeslagpartner geen rechtmatig verblijf had volgens de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte het rechtmatig verblijf van haar ex-partner beperkte en dat er sprake was van ongerechtvaardigd onderscheid en schending van kinderrechten. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het onderscheid in verblijfsstatus een legitiem doel dient, namelijk het voorkomen van voortzetting van onrechtmatig verblijf en misbruik van toeslagen. De belangen van de kinderen zijn voldoende betrokken en er is geen sprake van directe schending van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
Ook het beroep op het eigendomsrecht uit het EVRM faalde omdat de toeslagen deels voorschotten zijn en de definitieve vaststellingen geen ontneming van eigendom vormen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; uitsluiting van toeslagen bevestigd; verzoek om schadevergoeding afgewezen.