ECLI:NL:RBDHA:2020:10448
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens bestaande vluchtelingenstatus in Griekenland
Eiser, die staatloos is en sinds 2015 internationale bescherming geniet in Griekenland, diende een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat Griekenland zijn verplichtingen nakomt en eiser daar zijn rechten kan effectueren.
Eiser betoogde dat hij en zijn gezin in Griekenland ernstige materiële deprivatie ondervinden en dat de toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs ernstig wordt belemmerd. Hij stelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met recente rapporten en zijn persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de situatie in Griekenland weliswaar moeilijk is, maar niet zodanig slecht dat sprake is van een schending van mensenrechten zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en vond dat verweerder de omstandigheden voldoende had betrokken. Er was geen reden om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag vanwege bestaande internationale bescherming in Griekenland.