Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres], mede ten behoeve van haar minderjarige kind [minderjarige] , eisers
Rechtbank Den Haag
Eisers, een Nigeriaans gezin met een minderjarig kind en een tweede kind in verwachting, vroegen om een verblijfsvergunning in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde deze aanvragen te behandelen omdat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Eisers stelden dat overdracht aan Italië een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU zou opleveren vanwege slechte opvangomstandigheden, zeker gezien de zwangerschap van eiseres.
De voorzieningenrechter had eerder een voorlopige voorziening getroffen om overdracht te voorkomen totdat op de beroepen was beslist. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat geen reëel risico op schending van mensenrechten bestaat bij overdracht naar Italië. De rechtbank bevestigt dit oordeel en acht de door eisers aangevoerde informatie onvoldoende om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.
De rechtbank weegt mee dat Italië garanties heeft gegeven over de opvang van kwetsbare personen, waaronder gezinnen met minderjarige kinderen en zwangere vrouwen. Ook de zwangerschap van eiseres leidt niet tot een andere uitkomst, mede omdat de Staatssecretaris heeft toegezegd het gezin niet over te dragen rondom de uitgerekende datum. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de weigering van de verblijfsvergunning worden ongegrond verklaard.