Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2020 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beroep tegen het bestreden besluit 1
Intrekking verblijfsvergunning
Artikel 8 van Pro het EVRM en familieleven
.Verweerder heeft voorts niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat hij vanaf 2013 fundamentele belangen van de samenleving heeft geschonden en dat uit eisers persoonlijk gedrag geen verbetering volgt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het gezinsleven met mevrouw [A] niet van een dergelijke intensiteit is dat daar, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen inbreuk op mag worden gemaakt. De samenwoning met mevrouw [A] heeft, gezien eisers strafblad, geen effect op zijn criminele gedrag. Bovendien kan eiser zijn gezinsleven ook in Marokko uitoefenen. In dit kader heeft verweerder er terecht op gewezen dat mevrouw [A] zelf, naast de Nederlandse nationaliteit ook de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat er geen objectieve redenen zijn dat zij niet met eiser mee zou kunnen. Mevrouw [A] is ook uit Marokkaanse ouders geboren en zij moet bekend zijn met de sociale en culturele gewoonten van Marokko. Het belang van de Nederlandse staat bij bescherming van de openbare orde en veiligheid prevaleert in dit geval boven het belang van eiser om in Nederland te blijven. De inmenging in het gezinsleven is dus gerechtvaardigd. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van de Nederlandse samenleving bij het intrekken van eisers verblijfsvergunning zwaarder wegen dan de belangen van eiser.
Artikel 8 van Pro het EVRM en privéleven
Inreisverbod
.
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.