ECLI:NL:RBDHA:2020:3226
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorrangsverklaring wegens onvoldoende medische urgentie en niet-levensbedreigende woonsituatie
Eiseres heeft een aanvraag voor een voorrangsverklaring ingediend vanwege psychische klachten bij haarzelf en haar partner. De gemeente Den Haag wees deze aanvraag af omdat de situatie niet voldeed aan de criteria voor een levensbedreigende of levensontwrichtende woonsituatie. De GGD-arts bracht een advies uit waarin werd vastgesteld dat hoewel psychische klachten aanwezig zijn, het verband met de woonomgeving onvoldoende was aangetoond en er geen medische urgentie bestond.
Eiseres betoogde dat de medische stukken onleesbaar waren en dat zij niet de mogelijkheid had gehad te reageren op het GGD-advies. De rechtbank stelde vast dat de GGD-arts beschikte over de relevante medische informatie en dat het advies objectief en inzichtelijk was opgesteld. Ook werd geoordeeld dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om bezwaar te maken en dat zij geen tegenadvies had ingediend.
Verder werd het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) verworpen, omdat de belangen van de kinderen weliswaar waren meegewogen, maar geen acute noodsituatie bestond. Het ontbreken van expliciete motivering over bepaalde artikelen van het IVRK werd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat dit niet tot belangenverlies leidde.
De rechtbank concludeerde dat de situatie van eiseres en haar partner onvoldoende onderscheidend was om af te wijken van de verordening en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de voorrangsverklaring wordt ongegrond verklaard.