ECLI:NL:RBDHA:2020:5727
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste nationaliteitsinformatie en veilig derde land Armenië
Eiser, van Syrische nationaliteit, heeft bij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel onjuiste informatie verstrekt door te verklaren dat hij alleen de Syrische nationaliteit bezit, terwijl hij ook de Armeense nationaliteit had. Dit werd vastgesteld aan de hand van ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hoewel eiser inmiddels afstand heeft gedaan van de Armeense nationaliteit, oordeelt de rechtbank dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat hij een zodanige band met Armenië heeft als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank bevestigt dat het bezit van de nationaliteit van een land een zaak van groot gewicht is en dat het enkele gegeven dat eiser de Armeense nationaliteit heeft gehad voldoende is om Armenië als veilig derde land aan te merken. Eiser voerde aan geen banden met Armenië te hebben, maar dit werd door de rechtbank niet gevolgd, mede omdat eiser dit niet voldoende heeft onderbouwd.
Verder is vastgesteld dat verweerder zich bij zijn besluit heeft gebaseerd op ambtsberichten en internationale rapporten, waaronder van UNHCR en de Raad van Europa, waarmee is voldaan aan de vereisten voor het tegenwerpen van een veilig derde land. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel werd eveneens verworpen. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.