ECLI:NL:RBDHA:2020:5766
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging uitkering wegens gezamenlijke huishouding en niet meewerken huisbezoek
Verzoekster ontving een uitkering op grond van de Participatiewet die per 3 maart 2020 werd beëindigd door verweerder vanwege vermoedelijke gezamenlijke huishouding met haar ex-man en het niet meewerken aan een huisbezoek. Verzoekster betwistte de gezamenlijke huishouding en stelde dat zij niet in staat was mee te werken aan het huisbezoek vanwege pijnklachten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening, omdat zij zonder uitkering onvoldoende inkomsten had. Uit het onderzoek, waaronder verklaringen van verzoekster aan de sociaal rechercheur en een buurtonderzoek, bleek voldoende onderbouwing voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding op het adres van verzoekster.
De rechtbank verwierp het betoog van verzoekster dat de verklaring onjuist was en dat het opvragen van bankgegevens disproportioneel was. Ook was er een redelijke grond voor het huisbezoek, en het niet meewerken daaraan mocht gevolgen hebben voor de bijstand. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, en het besluit tot beëindiging van de uitkering kon na heroverweging in bezwaar worden gehandhaafd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de uitkering wordt afgewezen.