ECLI:NL:RBDHA:2020:590
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid beschikking belastingrente bij voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2016
In deze zaak stond centraal of de belastingrente die was opgelegd bij de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2016 aan eiseres correct was berekend. Eiseres betwistte de periode waarover de rente werd berekend en stelde dat de rente niet over de periode moest worden geheven waarin het geld al bij de Belastingdienst aanwezig was. Tevens voerde zij aan dat de heffing in strijd zou zijn met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank stelde vast dat de belastingrente conform artikel 30fb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen correct was berekend over de juiste periode en met het juiste percentage. De rechtbank verwierp het beroep van eiseres dat de wettelijke bepalingen buiten toepassing moesten blijven op grond van redelijkheid en billijkheid. Ook het beroep op het EVRM faalde, omdat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij het reguleren van belastingheffing en het rentepercentage niet buitensporig was.
Verder oordeelde de rechtbank dat het begunstigend beleid dat voorheen bestond, niet met terugwerkende kracht kon worden toegepast en dat op het moment van oplegging van de beschikking geen sprake meer was van dergelijk beleid. Er was geen sprake van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beschikking belastingrente is ongegrond verklaard en de belastingrente is correct berekend.