ECLI:NL:RBDHA:2020:6260
Rechtbank Den Haag
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inzake machtiging voorlopig verblijf afgewezen
Opposanten, allen van Eritrese nationaliteit, hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 14 augustus 2018 niet kon worden aangemerkt als een ingebrekestelling zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd verzet ingesteld. Opposanten voerden aan dat de brief wel degelijk een ingebrekestelling was, omdat daarin expliciet werd gesteld dat de staatssecretaris in gebreke werd gesteld en werd aangedrongen op een besluit binnen een redelijke termijn, mede gelet op eerdere jurisprudentie en gebruikelijke praktijk.
De rechtbank oordeelde dat een ingebrekestelling vormvrij is, maar wel eisen stelt zoals duidelijkheid over het verzoek en de termijn waarbinnen een besluit moet worden genomen. Uit de brief bleek echter niet eenduidig dat opposanten de staatssecretaris maande tot het nemen van een besluit binnen een bepaalde termijn met aanspraak op een dwangsom. Het enkel noemen van het woord 'Ingebrekestelling' maakte dit niet anders.
Daarom bleef de eerdere uitspraak van niet-ontvankelijkheid in stand en werd het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter J.H.A.C. Everaerts op 2 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard.