Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank
niet zijnde eiser) wel de Libanese nationaliteit heeft sinds 1994 (rechtbank:
en eiser dus niet), maar ook dat de naam van eiseres niet wordt genoemd in decreet 5247 van 30 juni 1994 en dat mevrouw [naam] niet de Libanese nationaliteit heeft.
lijktalsof de ambassade bij zijn onderzoek alleen het decreet heeft beoordeeld maar dat vermeldt de ambassade niet. Verweerder heeft niet betwist dat deze brief afkomstig is van de Libanese ambassade. Het had op de weg van verweerder gelegen om, indien hij twijfelt aan de inhoud en strekking van deze verklaring van de Libanese autoriteiten, zelf contact op te nemen met de ambassade om zich te vergwissen van de conclusie en van de feiten en omstandigheden waarop deze is gestoeld. Weliswaar hebben eisers een asielaanvraag ingediend maar omdat zij bescherming vragen gelet op de situatie in hun land van herkomst staat het verweerder vrij om wel contact op te nemen met de ambassade van Libanon. De rechtbank merkt op dat het zelf contact opnemen met de ambassade niet alleen tot de mogelijkheden van verweerder behoorde. Dit had ook het handelen van verweerder aanmerkelijk voortvarender gemaakt. Nu heeft verweerder gewacht totdat de gemachtigde van eisers deze fax heeft toegestuurd, hem hierbij verweten dit stuk geruime tijd achter te hebben gehouden, vervolgens opdracht gegeven voor een nieuw IAB en uiteindelijk namens Buiza de brieven van gemachtigde van eisers die aan deze verklaring van de ambassade ten grondslag liggen opgevraagd. Verweerder heeft nagelaten om zelf de ambassade om een nadere duiding van de verklaring van 8 november 2018 te vragen. Nu de Libanese autoriteiten, waartoe de Libanese ambassade gevestigd in Den Haag toe behoort, in antwoord op de vragen van eisers, hebben verklaard dat eiseres niet de Libanese nationaliteit bezit, ziet de rechtbank hierin dan ook –minst genomen- een zelfstandig concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het IAB voor zover het de conclusie ten aanzien van eiseres betreft. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van deze fax kennelijk ook twijfelt aan zijn ingenomen standpunt ten aanzien van eiseres. Deze brief is immers aanleiding geweest om een tweede IAB uit te laten brengen.
nietde Libanese nationaliteit heeft. De rechtbank overweegt dat gelet op deze passage in dit tweede IAB niet slechts concrete aanknopingspunten voor twijfel zijn geleverd, maar dat dit tweede IAB op zichzelf al het eerste IAB weerlegt. De onjuiste conclusie met betrekking tot eiser is dermate fors en is, zoals eerder overwogen, gebaseerd op hetzelfde onderzoek dat ten grondslag ligt aan de conclusies ten aanzien van eiseres, dat de rechtbank overweegt dat dit het gehele eerste IAB raakt. Het IAB van 23 januari 2017 is hiermee dus weerlegd. De bestreden besluiten zijn volledig gebaseerd op dit eerste IAB zodat de besluiten reeds hierom wegens motiveringsgebreken geen stand kunnen houden en zullen worden vernietigd. Verweerder heeft immers ter zitting op 8 november 2018 en op 2 juli 2020 desgevraagd en bij herhaling expliciet aangegeven dat de verklaring van de zus/dochter van eisers niet ter onderbouwing van de afwijzing dient, maar enkel de aanleiding is geweest voor nader onderzoek. Verweerder heeft er bovendien voor gekozen om het bestreden besluit niet te wijzigen of een aanvullend besluit te nemen, maar heeft volstaan met het op meerdere momenten in deze procedures aanvullende argumenten voor zijn besluiten te geven. De rechtbank zal in het kader van finale geschillenbeslechting evenwel onderzoeken of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.
- Beroepschrift, 1 punt
- Verschijnen ter zitting op 8 november 2018, 1 punt
- Nadere zitting anders dan na tussenuitspraak op 2 juli 2020, 0,5 punt
- Verzoekschrift schadevergoeding na onrechtmatig besluit, 1 punt
Conclusie
Beslissing
- verklaart beide beroepen gegrond;
- vernietigt beide bestreden besluiten;
- draagt verweerder op binnen twee weken na heden nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.756,25;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
- € 2.756,25;
- draagt verweerder op aan eiser een bedrag te betalen van € 1.000,- bij wijze van vergoeding van immateriële schade;
- draagt verweerder op aan eiseres een bedrag betalen van € 1.000,- bij wijze van vergoeding van immateriële schade.
mr. E.C.M. Boerboom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken