ECLI:NL:RBDHA:2020:8048
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijk gemaakte identiteit en gezinsband
Eiseres 1 en eiseres 2, beiden met Afghaanse nationaliteit en verblijvend in Iran, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan in het kader van nareis en gezinshereniging. Verweerder wees deze aanvragen af omdat eiseres 1 haar identiteit en gezinsband met de referent niet aannemelijk had gemaakt met officiële of substantieel bewijsbare documenten.
De rechtbank oordeelde dat eiseres 1 geen officiële of onofficiële documenten overlegd had die haar identiteit konden bevestigen, noch een op haar situatie toegespitste verklaring gaf voor het ontbreken daarvan. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat zij de moeder van de referent was, wat essentieel is voor de beoordeling van de aanvraag van eiseres 2 als pleegdochter.
Verder werd geoordeeld dat verweerder terecht geen aanvullend onderzoek hoefde te verrichten, zoals een identificerend gehoor of DNA-onderzoek, aangezien er geen sprake was van bewijsnood of plausibele verklaringen. Ook werd het betoog dat de hoorplicht was geschonden verworpen omdat op voorhand duidelijk was dat de bezwaren niet tot een ander besluit konden leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek tot machtiging tot voorlopig verblijf af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvragen voor machtiging tot voorlopig verblijf worden afgewezen wegens het niet aannemelijk maken van identiteit en gezinsband.