ECLI:NL:RBDHA:2020:8812
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierelatie
Eisers, Syrische staatsburgers, hebben een aanvraag ingediend voor machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv’s) als nareizigers van hun moeder. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eisers hun identiteit niet aannemelijk hadden gemaakt en geen officiële identiteitsdocumenten konden overleggen. Eisers stelden dat zij bewijsnood hadden en dat de verweerder aanvullend onderzoek had moeten verrichten.
De rechtbank oordeelde dat eisers geen officiële documenten hadden overgelegd en dat de overgelegde onofficiële documenten, zoals geboorteaktes en foto’s, geen substantieel bewijs vormden van hun identiteit. Verweerder had terecht geen bewijsnood aangenomen, mede vanwege de algemene identificatieplicht in Syrië. Daarom was verweerder niet verplicht aanvullend onderzoek te doen.
Omdat de identiteit van eisers niet aannemelijk was, hoefde de rechtbank de familierelatie met de referent niet te beoordelen. Eisers voerden ook aan dat de Gezinsherenigingsrichtlijn een loutere afwijzing op basis van ontbrekende officiële documenten verbiedt, maar de rechtbank volgde de vaste gedragslijn van verweerder die hiermee in overeenstemming is.
Ook de stelling dat de hoorplicht was geschonden werd verworpen omdat het beroep op voorhand kansloos was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit.