Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juli 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
Procesverloop
20 oktober 2020 gereageerd op die brief van de rechtbank.
17 mei 2021 laten weten dat zij nog een nadere zitting wenst.
Overwegingen
10 september 2017.
12 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6160, is overwogen, leidt de rechtbank immers uit de arresten Chavez-Vilchez en Oulane af dat in gevallen waarin een derdelander ouder vanwege zijn banden met zijn kind, dat Unieburger is, onder de reikwijdte van artikel 20 van Pro het VWEU valt, aan die derdelander in beginsel de eis worden gesteld zijn identiteit te bewijzen. Bijzondere individuele omstandigheden kunnen echter meebrengen dat het onverkort vasthouden aan die eis in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het is aan de desbetreffende vreemdeling om het bestaan van dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
Beslissing
Rechtsmiddel
BIJLAGE – Juridisch kader
Paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000
- De IND verstaat onder zorgtaken ook opvoedingstaken.
- De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Dit wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.
- de leeftijd van het kind;
- zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling; en
- de mate van zijn affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.