Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,geboren op [geboortedag] 1998, van Soedanese nationaliteit, alias,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 11 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
Overwegingen
Op 24 april 2019 is eiser gezien door een arts van het FMMU, dr. Tjaarda. In het daarop volgende advies is niet gerefereerd aan het advies van 14 februari 2019, maar zonder verdere toelichting geconcludeerd dat eiser gehoord kan worden. Er is namelijk wel een medische klacht geconstateerd, maar deze staat niet in de weg aan het horen en beslissen bij de IND, aldus dr. Tjaarda.
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- familieproblemen met ooms van moederskant;
- de veiligheidssituatie en discriminatie in Libië.
Verder heeft verweerder in het nieuwe voornemen niet kenbaar de vorige zienswijze of de gronden van beroep betrokken. Daarmee is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Eiser merkt op dat hij 15 jaar oud was toen hij uit Libië is vertrokken, verweerder heeft dan ook redelijkerwijs niet kunnen tegenwerpen dat hij weinig weet over de identificatieplicht in Libië, die pas geldt vanaf 16 of 18 jarige leeftijd, en kan hem evenmin worden verweten dat hij niet weet van het bestaan van een registratie in het National Identity Number System (NINS). Bovendien komt hij uit het zuiden van Libië waar problemen zijn met deze registratie. Eiser stelt verder dat Duitsland kennelijk wel uitgaat van de identiteit zoals hij die in Duitsland heeft opgegeven, gezien de personalia die op zijn ‘Aufenthaltsgestatttung’ zijn vermeld. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat verweerder in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat van de in Italië geregistreerde gegevens; ten aanzien van Duitsland geldt dat interstatelijk vertrouwensbeginsel immers evenzeer. Eiser betoogt verder dat de dorpen die door hem genoemd zijn in de buurt van Al Kufra erg klein zijn en hij deze dus niet op en andere manier zou kunnen kennen. Dat de andere plaatsen honderden kilometers van Al Kufra vandaan liggen moet gezien worden in de context ter plaatse; Al Kufra ligt in het zuiden in een uitgestrekt woestijngebied, waar grote afstanden niet ongewoon zijn. Op de informatie die eiser heeft gegeven over Misrata wordt door verweerder onvoldoende ingegaan, aldus eiser. De wisselende verklaringen over zijn schoolperiode zeggen niets over eisers nationaliteit of identiteit. Eiser heeft daarnaast voldoende informatie verstrekt over zijn eigen stam. Er is daarbij onvoldoende rekening gehouden met zijn leeftijd, zijn achtergrond en het gegeven dat hij niet geïnteresseerd was in stammen. De stelling van verweerder dat de stammenstructuur onlosmakelijk is verbonden met de samenleving in Libië, is onvoldoende onderbouwd in het bestreden besluit. Verweerder heeft daarmee -volgens eiser- onvoldoende gemotiveerd waarom aan de identiteit en nationaliteit van eiser zou moeten worden getwijfeld. Tot slot verwijst eiser naar het arrest TQ van het Europese Hof van Justitie (TQ tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441, ECLI:EU:C:2021:9), waarin is geoordeeld dat beoordeeld had moeten worden of er adequate opvang voorhanden was -hij was immers minderjarig toen hij asiel aanvroeg in Nederland- en indien dat niet het geval was had verweerder hem in bezit moeten stellen van een verblijfsvergunning.
Beslissing
drs. B. Bertens, griffier.