Uitspraak
JMN B.V.(voorheen
VAN CAEM INTERNATIONAL B.V.),
DELICASEA B.V.,
VAN CAEM KLERKS GROUP B.V.,
- het tussenvonnis van 1 april 2015 en de daarin genoemde gedingstukken;
- de akte uitlating na arresten Hof van Justitie, gerechtshof en rechtbank Den Haag, tevens houdende akte vermindering, vermeerdering en wijziging van eis, tevens houdende akte aanvullende producties, van Bacardi van 9 november 2016, met producties 32 tot en met 46;
- de akte uitlating arrest HvJ EU inzake Top Logistics c.s., het arrest gerechtshof inzake BP1, nieuwe stellingen Bacardi, producties Bacardi en vermindering, vermeerdering en wijziging van eis Bacardi, tevens akte overlegging producties, van Van Caem c.s. van 21 december 2016, met producties 12 tot en met 17;
- de akte uitlating producties, tevens houdende akte overlegging producties van Bacardi van 5 april 2017, met producties 47 tot en met 54;
- de akte reactie op bezwaar en uitlating producties van Van Caem c.s. van 17 mei 2017, met producties 18 tot en met 20;
- de akte overlegging aanvullende producties van Bacardi van 21 november 2021, met producties 55 tot en met 81;
- de akte overlegging aanvullende producties van Van Caem c.s. van 21 november 2021, met producties 21 tot en met 24;
- het proces-verbaal van het pleidooi, tevens comparitie van partijen van 21 november 2017, waarin het verzoek tot verwijzing naar de meervoudige kamer is afgewezen en de zaak is geschorst in verband met het wrakingsverzoek van Van Caem c.s.;
- de beslissing van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag van 11 december 2017 (zaak-/rekestnummer: C/09/543391 / KG RK 17-1916) waarin het wrakingsverzoek is afgewezen;
- het e-mail bericht van de rechtbank van 17 januari 2018, waarin aan partijen is medegedeeld dat de rechtbank het bezwaar van Van Caem c.s. tegen de akte overlegging aanvullende producties van Bacardi, met producties 55 tot en met 81, afwijst;
- de akte overlegging reactieve producties van Van Caem c.s. van 15 juni 2018, met producties 25 tot en met 41;
- de akte overlegging reactieve producties van Bacardi van 15 juni 2018, met producties 82 tot en met 95;
- de nadere kostenspecificatie van Van Caem c.s. (productie 42);
- de producties 43 en 44 van Van Caem c.s.;
- de proceskostenopgave van Bacardi (productie EP96);
- het proces-verbaal van de voortzetting van het pleidooi, tevens comparitie van partijen, van 15 juni 2018, de daarin vermelde stukken en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities van Bacardi en Van Caem c.s., waarvan de in het proces-verbaal aangegeven passages niet zijn gepleit.
de productcodes op het product zijn verwijderd
door Van Caem niet wordt aangetoond dat zij door of met toestemming van Bacardi in de EER in het verkeer zijn gebracht.”
aan (...) Bacardi een schriftelijke opgave te doen die door een onafhankelijke forensische accountant zoveel mogelijk op juistheid en volledigheid is gecontroleerd:
- de volledige namen en adressen van alle leveranciers en afnemers van inbreukmakende Bacardi-producten in de periode van 5 oktober 2013 tot en met de datum van betekening van dit arrest, vergezeld van kopieën van één document per transactie ter staving daarvan;
- van de op de datum van betekening van het onderhavige arrest bij Van Caem en bij derden voor Van Caem aanwezige voorraad inbreukmakende Bacardi-producten, zulks onder vermelding van de plaats(en) waar deze voorra(a)d(en) zich op dat moment bevind(t)en;
en ter voorkoming van verdere schade. Bij pleidooi heeft zij als nieuwe grondslag nog aangevoerd dat zij recht en belang heeft bij een nieuwe opgave omdat de gedane opgave III onjuist en onvolledig is. Nog daargelaten dat deze grondslag in strijd met de twee-conclusie-regel pas bij pleidooi is aangevoerd en al om die reden buiten beschouwing dient te blijven (te meer nu Bacardi zelf stelt dat zij Van Caem al op 30 december 2013 op de hoogte heeft gesteld van haar kritiek op die opgave, terwijl haar MvA/Gia is genomen 8 september 2015), heeft Bacardi naar het oordeel van het hof geen belang bij het opleggen van een nieuwe opgaveverplichting voor zover die reeds, versterkt door een dwangsom, is opgelegd in het bestreden vonnis. In zoverre zal de vordering worden afgewezen.
sic) gerapporteerd:
supplieris vermeld Bacardi Martini Production.
The above amount represents the value of the goods inclusive the EEC – Import duties’.
- vier executiegeschillen tussen Bacardi en Van Caem over de vraag of Van Caem dwangsommen heeft verbeurd, omdat zij zich niet heeft gehouden aan een (merkinbreuk)stakingsbevel in eindvonnis 2011 en eindarrest BP1, en aan opgaveverplichtingen die aan haar zijn opgelegd in eindvonnis 2011, kortgedingvonnis 2013 en kortgedingarrest 2016;
- handelt Van Caem onrechtmatig door gedecodeerde Bacardi Producten te verhandelen in Nederland en daartoe in voorraad te houden, ongeacht de vraag of die goederen in het vrije verkeer van goederen zijn gebracht?
- heeft Bacardi recht op winstafdracht en schadevergoeding van Van Caem voor inbreukmakende transacties vanaf 19 september 2011?
- moet Van Caem nog opgave doen over merkinbreuken in de periode 19 september 2011 tot en met 3 oktober 2011?
- heeft Van Caem Klerks onrechtmatig gehandeld jegens Bacardi (onder andere als bestuurder van Van Caem)?
- heeft Van Caem Klerks zelf inbreuk gemaakt op de Bacardi Merken?
met het oog opverhandeling. Dat Van Caem deze flessen na betekening van het kortgedingvonnis 2013 nog in voorraad hield om ze te verhandelen is echter niet gebleken. Integendeel, na bijna drie jaar waren ze nog in voorraad. Bacardi heeft ook geen vernietiging van inbreukmakende producten gevorderd in de procedure die heeft geleid tot het eindvonnis 2011 en het eindarrest BP1 [19] , waardoor het voor de hand lag dat Van Caem deze producten opgeslagen hield hangende het hoger beroep in BP1. Ten aanzien van de opgegeven Martini Bianco producten, kan daardoor in ernst worden betwijfeld of het in opslag hebben daarvan ‘ter verhandeling in voorraad hebben’ in merkenrechtelijke zin vormde en dus ook of Van Caem daarmee het stakingsbevel heeft overtreden.
- van de op 19 juni 2012 bij Van Caem en bij derden ten behoeve van Van Caem aanwezige voorraad Inbreukmakende Bacardi Producten;
- van de leveranciers en afnemers van Inbreukmakende Bacardi Producten in de periode 19 juni 2012 tot en met de datum van betekening van kortgedingvonnis 2013;
- van de op de datum van betekening van kortgedingvonnis 2013 bij Van Caem en bij derden ten behoeve van Van Caem aanwezige voorraad Inbreukmakende Bacardi Producten.
geleverdeen
geleverd gekregenBacardi producten. Dit geldt zowel in combinatie met de definitie gehanteerd in het eindvonnis 2011 als die in het eindarrest BP1. Door geen opgave te doen van producten die wel zijn geleverd of geleverd gekregen in de betreffende periode, maar niet in de relevante periode zijn ingekocht en/of verkocht, heeft Van Caem derhalve niet voldaan aan Opgaveverplichting III.
Goods are in our warehouse’). Op basis van deze feiten mag er derhalve vanuit worden gegaan dat er een concrete partij van 30 dozen Grey Goose door Van Caem in voorraad werd gehouden op 19 juni 2012. Van Caem had deze (op 19 juni 2012 niet verkochte) producten derhalve moeten opgeven in opgave III, tenzij zij kon aantonen dat die goederen voortdurend T1-status hadden gehad. Dat laatste heeft ze in deze procedure niet gedaan. Zij heeft ook niet kunnen duiden waarom zij heeft gemeend dat opgave in opgave III niet nodig was, maar dat bij opgave IV wel nodig vond. Bij deze stand van zaken is de conclusie dat opgave III ook op dit punt onvolledig is.
- De beginvoorraad van 9.578 dozen Bacardi Producten op T1 is niet opgegeven, terwijl niet is gecontroleerd door de accountant of die voorraad wel voortdurend op T1 heeft gestaan voor 19 juni 2012;
- er is geen opgave gedaan van buiten de relevante periode ingekochte of verkochte, maar in de periode geleverde en geleverd gekregen Inbreukmakende Bacardi Producten;
- 30 dozen Grey Goose producten zijn ten onrechte niet in de opgave opgenomen.
ieder onrechtmatig handelen jegens [Bacardi], meer in het bijzonder het staken en gestaakt houden [van] elke verhandeling van producten die zijn voorzien van [een Bacardi merk], waarvan de […] productcodes zijn verwijderd”. In het tussenarrest 1 BP1 (zie 4.1.1) is overwogen dat in hoger beroep was komen vast te staan dat Van Caem bekend was met het feit dat zij gedecodeerde producten in voorraad hield en verhandelde. Desalniettemin oordeelde het hof in r.o. 47 van tussenarrest 1 BP1 (zie 4.1.1), dat de verhandeling van Bacardi Producten met voortdurende T1-status geen onrechtmatige daad vormde jegens Bacardi. De geciteerde vordering werd afgewezen.
stakingsbevelinging twee weken na die betekening. In dat vonnis is ook een opgavebevel opgenomen (zie hiervoor in 5.20 tot en met 5.22), waar op 19 december 2011 aan voldaan moest zijn. In het opgavebevel is als begindatum voor de opgave 1 januari 2003 bepaald, maar er is geen einddatum in opgenomen. Dit opgavebevel is in eindarrest BP1 aangepast doordat de definitie van Inbreukmakende Bacardi Producten is verduidelijkt, het bevel tot winstafdracht is beperkt (niet veraccijnsde goederen op T2 vielen er niet onder) en het bevel tot opgave van gegevens die benodigd zijn voor winstafdracht in dezelfde zin is beperkt. Maar overigens is het opgavebevel in stand gelaten. De periode waarover opgave gedaan moest worden eindigde dus niet op de datum dat eindvonnis 2011 werd gewezen of betekend, al zal de rechtbank er vanuit zijn gegaan dat er geen inbreuk meer zou worden gemaakt na betekening van het vonnis. De rechtbank ziet daarom niet in welk belang Bacardi heeft bij de gegevens waarvan nu opgave wordt gevraagd in vordering iii. Zij beschikt immers al over de executoriale titel die zij nu vordert. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
naastschadevergoeding [26] . Waar het Nikolajeva-arrest (in r.o. 54) een uitleg geeft aan artikel 13 lid 1 Handhavingsrichtlijn Pro [27] , betreft dat een uitleg van de verplichting aan de lidstaten om het recht op schadevergoeding in hun nationale wetgeving op te nemen. Het Nikolajeva-arrest betreft daarmee de uitleg van artikel 2.21 lid 1 en lid 2 BVIE, niet de uitleg van het vierde lid van dat artikel. De rechtbank wijst het betoog van Bacardi dat het Nikolajeva-arrest dwingt tot een aangepaste uitleg van het begrip kwade trouw in artikel 2.21 lid 4 BVIE dan ook van de hand. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van de bestaande jurisprudentie in de Benelux, op grond waarvan voor winstafdracht is vereist dat de inbreuk te kwader trouw is gepleegd.
achterafinbreukmakend werd geoordeeld.
II. Vorderingen jegens Van Caem Klerks
We have stock more than 1 million of products that we need to rotate” van de directeur van Van Caem Klerks in een e-mail uit december 2012. Uit deze zin kunnen geen concrete voorbehouden handelingen ten aanzien van Bacardi Producten worden afgeleid.
xiv.). Om dezelfde reden kunnen de gevorderde opgave van gegevens over de gestelde inbreuken (vordering
xiv.a.), vernietiging (vordering
xiv.b.) en de op de gestelde merkinbreuk door Van Caem Klerks gebaseerde schadevergoedingsvordering (vordering
xiv.c.) niet worden toegewezen.
xiv.). Zij heeft in de dagvaarding aan die vordering ten grondslag gelegd dat Van Caem Klerks als bestuurder van Van Caem de feitelijke leiding heeft in Van Caem en een zorgplicht heeft om inbreuken door die vennootschap te voorkomen. Doordat zij dit tot nu toe niet heeft voorkomen terwijl zij op de hoogte was van de merkinbreuken, heeft zij volgens Bacardi onrechtmatig gehandeld, zodat dit stakingsbevel op zijn plaats is.
xiv. zal dan ook worden afgewezen.
xv.zal dan ook worden afgewezen.
III. Vorderingen jegens DelicaSea
hetzij het in het vrije verkeer brengen van de goederen, hetzij het te koop aanbieden of verkopen ervan dat noodzakelijkerwijs verhandeling binnen de Gemeenschap impliceert.’ Het Hof van Justitie beslist vervolgens dat de bewijslast ter zake de inbreuk rust op de merkhouder, die moet bewijzen dat goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, te koop zijn aangeboden of verkocht en daardoor noodzakelijkerwijs in de Gemeenschap in de handel worden gebracht. [43]
een situatie zoals die in het hoofdgeding aan de orde’ [44] . Uit de geciteerde overwegingen kan echter ook meer in het algemeen het gevolg worden getrokken dat op Bacardi de plicht rust om de omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit volgt dat zij haar verbodsrecht kan uitoefenen. Daartoe zal zij gemotiveerd moeten stellen dat het om goederen in het vrije verkeer van de EER gaat of om goederen die noodzakelijkerwijs in dat vrije verkeer zullen worden gebracht. T1-goederen die niet aan die laatste voorwaarde voldoen maken volgens het Hof van Justitie geen merkinbreuk.
warehouse. De aangever wordt alleen invoerrechten verschuldigd. De eigenaar van de betreffende goederen beschikt over een douane-administratie van de T1-/T2-status van alle door hem verhandelde goederen die in een douane-entrepot in de EER zijn ingeslagen. Hij kan het bewijs van de douane-status dus eenvoudig leveren. Deze praktische mogelijkheid om het bewijs te leveren, is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om af te wijken van de bewijslastverdeling die volgt uit het Class-arrest, waarbij de stelplicht en de bewijslast van merkinbreuk – met inbegrip van de daarvoor relevante douanestatus – bij de merkhouder ligt. Bij de vraag welke onderbouwing van een betwisting voldoende is, kan dit echter wel een rol spelen.
arrival noticevan Van Caem [45] blijkt dat Van Caem op 12 mei 2009 een partij van 100 dozen Bombay Sapphire 1ltr. op T1 heeft ontvangen in het bonded warehouse van haar logistiek dienstverlener. Het type product, het aantal en de overige goederen in dezelfde zending (Skyy Vodka in twee maten) corresponderen met de pro forma factuur van DelicaSea aan Van Caem van 6 april 2009, die Bacardi heeft overgelegd. Ook de datering wijst erop dat het dezelfde partij betreft. Bacardi heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat DelicaSea de goederen heeft ingevoerd. Nu Van Caem actief is in de internationale handel, hoefde DelicaSea ook niet te weten dat deze goederen noodzakelijkerwijs in de EER in het verkeer gebracht zouden worden door Van Caem. De verhandeling van deze partij vormt dus geen inbreuk door DelicaSea.
supplier, maar niet als
principal. De naam van de principaal is onleesbaar gemaakt, dus dat zal niet Bacardi Martini Production zijn. Een factuur van Bacardi Martini Production aan die voorman (of diens voorman) ontbreekt, alsook enig ander document waaruit blijkt dat deze goederen met toestemming van Bacardi in de EER in het verkeer zijn gebracht. Deze arrival notice vormt, gelet op de betwisting door Bacardi, daarmee onvoldoende bewijs van uitputting.
health warningsdie niet bestemd zijn voor de EU. Desondanks ging DelicaSea er blijkens die aanbieding van uit dat [klant 1] ook die producten in de EER verder zou verhandelen, omdat zij in de prijs de invoerheffing verwerkte. DelicaSea had dus blijkbaar de indruk dat [klant 1] haar producten inkocht voor de Europese markt, ook al waren het producten die daar niet voor bestemd waren.
allerelevante documenten. DelicaSea betoogt dat één document per transactie volstaat. Beide standpunten gaan voorbij aan het doel van de verstrekking van kopieën van documenten: bewijsstukken verstrekken waaruit de juistheid van de opgegeven gegevens blijkt. DelicaSea dient derhalve voldoende documenten te verschaffen om de juistheid van de opgave te kunnen verifiëren. Daartoe zal bijvoorbeeld kunnen behoren een factuur of orderbevestiging, vrachtbrieven en documentatie van de douanestatus en wijzigingen daarin. Dat betekent dat DelicaSea van alle transacties niet alleen een factuur of orderbevestiging zal moeten overleggen, maar indien zij de goederen heeft ingevoerd tevens afschrift van een (elektronisch) douane-document waaruit blijkt wanneer de goederen T2-status hebben gekregen, de inkoopprijs en, bij inkoop van inbreukmakende Bacardi Producten op T2, haar leverancier en leverdatum. De rechtbank zal aan documenten die betrekking hebben op de inkoopprijzen van Bacardi producten op T1, die DelicaSea vervolgens zelf heeft ingevoerd of die na verkoop aan een afnemer noodzakelijkerwijs in het vrije verkeer werd gebracht (als bedoeld in 5.118), een vertrouwelijkheidsregime verbinden, versterkt met een dwangsom. Uit die documenten kunnen immers gegevens blijken over de leveranciers van Van Caem c.s. bij haar parallelhandelsactiviteiten, ook van niet-inbreukmakende inkooptransacties op T1.
assuranceis die een accountant, zeker als die niet de huisaccountant is, niet kan bieden. Dat
assurancevolgens de NV-COS 3000 richtlijn een ‘
redelijke mate van zekerheid’ biedt, maakt dat niet anders. Om aan een
assuranceopdracht te kunnen voldoen, dient de accountant een verklaring af te geven over de juistheid en volledigheid van de administratie [46] of in zijn verklaring beperkingen op te nemen. Die beperkingen leiden er in wezen toe dat er alsnog geen zekerheid wordt verkregen. Dat Vigilate wel een assurance opdracht heeft aanvaard in de zin van NV-COS 3000, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat iedere (of althans: een gemiddelde) accountant anno 2021 die opdracht zoals gevorderd zal uitvoeren. Door wel een bevel daartoe te geven, kunnen er executie-problemen ontstaan.