ECLI:NL:RBDHA:2021:11542
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens actuele bedreiging na zedendelict
Eiser, een Poolse unieburger, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn verblijfsrecht op grond van het Unierecht ontnomen en ongewenst verklaard vanwege een onherroepelijke veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf voor verkrachting.
Eiser stelde dat hij een duurzaam verblijfsrecht had opgebouwd door onafgebroken verblijf en dat hij een positieve gedragsverandering had laten zien. Verweerder betoogde dat eiser geen onafgebroken verblijf kon aantonen en dat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormde voor de openbare orde.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor onafgebroken verblijf en dat de ernstige aard van het zedendelict, gecombineerd met het ontbreken van verantwoordelijkheid en gedragsverandering, een actuele bedreiging vormt. De persoonlijke banden met Nederland wogen niet op tegen de belangen van de samenleving.
Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de ongewenstverklaring voortduurde, en het beroep tegen de ongewenstverklaring werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Beroep tegen beëindiging verblijfsrecht niet-ontvankelijk; beroep tegen ongewenstverklaring ongegrond verklaard.