ECLI:NL:RVS:2019:3945
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing opheffing ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling, met de Poolse nationaliteit, was ongewenst verklaard na veroordelingen voor ernstige strafbare feiten. Hij verzocht om opheffing van deze ongewenstverklaring, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat hij geen belang zou hebben bij de beoordeling van het beroep, aangezien hij bij terugkeer eerst een nog openstaande gevangenisstraf zou moeten uitzitten.
De vreemdeling stelde dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, hij geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben en daardoor ook niet in aanmerking komt voor resocialisatie of voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank had ten onrechte het belang van de vreemdeling ontkend. De Raad van State oordeelde dat het belang van de vreemdeling wel aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij Nederland illegaal binnenkomt om zijn detentie te doen hervatten alvorens een nieuw verzoek in te dienen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.