ECLI:NL:RBDHA:2021:12106
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Verzoeker, met de Algerijnse nationaliteit, had een bijstandsuitkering ontvangen maar deze werd ingetrokken nadat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zijn verblijfsrecht had ingetrokken. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze intrekking en tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag voor bijstand. Hij stelde dat hij rechtmatig verblijf had op grond van verschillende bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 en dat hij daarom gelijkgesteld moest worden met een Nederlander voor de Participatiewet.
De voorzieningenrechter beoordeelde of verzoeker een spoedeisend belang had en concludeerde dat dit het geval was vanwege de acute financiële nood. Echter, inhoudelijk kon verzoeker niet worden gelijkgesteld met een Nederlander omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 11 van Pro de Participatiewet en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen. De procedurele rechtmatigheid van zijn verblijf was niet aangetoond, mede omdat er geen rechterlijke beslissing was die uitzetting zou verhinderen.
Verder oordeelde de voorzieningenrechter dat bijzondere omstandigheden geen grond boden om toch bijstand te verlenen, omdat artikel 16 van Pro de Participatiewet dit uitsluit voor vreemdelingen die niet onder artikel 11 vallen Pro. De afwijzing van de aanvraag was daarom terecht en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De rechter wees ook op de mogelijkheid om bij een eventuele wijziging van de verblijfsstatus opnieuw een aanvraag in te dienen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander en geen recht heeft op bijstand.