ECLI:NL:RBDHA:2021:12243
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2015 en proceskostenvergoeding
Eiser, enig aandeelhouder van een BV, betwist de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, die verband houdt met een stamrecht- en pensioenregeling. Verweerder heeft de aanslag en rentebeschikkingen bij uitspraak op bezwaar verminderd tot nihil. Eiser vordert nietigverklaring of vernietiging van de aanslag en een integrale proceskostenvergoeding en schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de uitspraak op bezwaar en niet tegen de navorderingsaanslag zelf of een aankondiging daarvan, conform het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht. De aangevoerde gronden leiden niet tot nietigverklaring of vernietiging van de aanslag, noch zijn er procedurele gebreken vastgesteld.
De rechtbank erkent dat eiser geschrokken is van de aanvankelijke aanslaghoogte, maar ziet hierin geen schending van bestuursrechtelijke beginselen of ambtsmisdrijf. De proceskostenvergoeding van € 783 toegekend door verweerder wordt als toereikend beschouwd. Verzoek tot vergoeding van overige kosten, waaronder verletkosten en materiële schade, wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het exclusieve karakter van artikel 8:75 Awb Pro.
Er is geen aanleiding voor immateriële schadevergoeding, aangezien geen overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.