Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 14 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Eiser komt niet in aanmerking voor een vergunning op reguliere gronden, krijgt geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro, eiser wordt een vertrektermijn onthouden en hij dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Aan eiser wordt bovendien een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Overwegingen
geloofwaardig bevonden elementkan immers doorwerken in de beoordeling van de geloofwaardigheid van de overige elementen, net zoals verweerder geregeld overweegt dat een
ongeloofwaardig bevonden elementook doorwerkt in de geloofwaardigheidsbeoordeling van andere elementen. Verweerder heeft in de onderhavige procedure niet betwist dat de herkomst van eiser Somalië is. Dit betekent niet dat verweerder reeds daarom de gestelde nationaliteit geloofwaardig moet achten, maar het betekent wel dat verweerder de herkomst -kenbaar- moet betrekken bij de verklaringen die eiser heeft afgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Verweerder heeft dit in het geheel niet gedaan. Verweerder heeft -ten onrechte- de gestelde herkomst niet als element geduid. In het besluit is voorts overwogen dat omdat de identiteit en de nationaliteit al ongeloofwaardig zijn bevonden er niet verder wordt ingegaan op de gestelde herkomstvragen. Verweerder heeft dus geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht en dit maakt de geloofwaardigheidsbeoordeling en daarop gebaseerde besluitvorming reeds onzorgvuldig.
dit slechts indicatief is en de identiteit en nationaliteit niet vaststelt”. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het dossier blijkt dat verweerder een zogenaamde “taalindicatie” gedurende het eerste gehoor heeft afgenomen maar de resultaten hiervan niet aan het dossier heeft toegevoegd. De rechtbank acht dit onzorgvuldig. Indien verweerder onderzoek verricht om de geloofwaardigheid van het relaas te kunnen beoordelen dient hij de resultaten van dit onderzoek, ongeacht de conclusie, toe te voegen aan het dossier zodat eiser en de rechtbank hiervan kennis kunnen nemen en eiser zich hiertegen kan verweren. Verweerder heeft ter zitting, desgevraagd, aangegeven dat uit dit onderzoek is gebleken dat eiser de taal spreekt die in Zuid-Somalië wordt gesproken. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser gedurende de gehele procedure bij verweerder en ook ter zitting is gehoord met een tolk in de Somalische taal. Gemachtigde van eiser heeft desgevraagd ter zitting aangegeven eveneens steeds bij de besprekingen met eiser een tolk in de Somalische te hebben ingeschakeld. Verweerder kan worden gevolgd dat het spreken van een taal geen “bewijs” is van een gestelde nationaliteit. Verweerder kan echter de vaststelling dat eiser Somalisch spreekt niet zonder meer ter zijde schuiven, maar zal ook dit aspect moeten betrekken bij de beoordeling van de verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn identiteit en nationaliteit en kan dus niet volstaan met de enkele opmerking dat het beheersen van een taal de identiteit en nationaliteit niet vaststelt.
noch enig origineel identificerend document heeft overgelegd, noch blijk heeft gegeven enige moeite te hebben ondernomen om aan een dergelijk document te komen”. Eiser heeft verklaard dat hij in Somalië nooit een geboorteakte en een paspoort heeft gehad of heeft aangevraagd. Eiser heeft er ook op gewezen dat het in Somalië moeilijk is om dergelijke documenten te verkrijgen en dat hij daarom zich genoodzaakt zag een vals paspoort aan te schaffen en te gebruiken om te kunnen vluchten. Eiser heeft tevens verwezen naar het algemeen ambtsbericht waarin is vermeld dat documenten in Somalië nauwelijks een rol spelen. Verweerder heeft in reactie hierop in het besluit overwogen dat bekend is dat weinig mensen in Somalië over identificerende documenten beschikken, maar dat niet gebleken is dat het onmogelijk is om aan dergelijke documenten te komen. Verweerder is hierbij niet ingegaan op de informatie uit het ambtsbericht dat documenten nauwelijks een rol spelen en evenmin bij zijn overwegingen betrokken dat eiser stelt zich in een vluchtsituatie te hebben bevonden. Verweerder had uitdrukkelijk moeten motiveren waarom hij -kennelijk- van eiser verwacht in een vluchtsituatie alsnog documenten aan te vragen. Immers, in procedures waarin de vreemdeling stelt een incident te hebben meegemaakt dat als asielmotief geldt en hij vervolgens in zijn land van herkomst blijft om identiteitsdocumenten, visa en/of vliegtickets te verkrijgen, wordt doorgaans tegengeworpen dat dit afbreuk doet aan een gestelde acute vluchtsituatie en dus afbreuk doet aan de noodzaak tot bescherming. Verweerder werpt hier nu juist tegen dat eiser geen Somalische documenten heeft. Eiser heeft voorts voorafgaande aan het besluit van verweerder een verklaring van geboorte en een nationaliteitsverklaring die door de Somalische ambassade te Brussel zijn afgegeven overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. In de begeleidende brief bij deze documenten is aangegeven dat eiser via beeldbellen met de Somalische ambassade te Brussel op basis van vragen en een gesprek in het bezit is gesteld van de betreffende documenten.
rechtsgevolgen van deze beschikking” heeft verweerder geen land van bestemming opgenomen waarnaar verweerder eiser zal verwijderen als hij niet zelfstandig aan zijn vertrekplicht voldoet.
4. „terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld
Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
(…)
De uitleg van het Hof in de arresten FMS e.a. en M e.a. sluit echter niet uit dat in een terugkeerbesluit meer landen van terugkeer worden genoemd als er voor de betrokken vreemdeling meer mogelijke landen in beeld zijn. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een vreemdeling banden heeft met verschillende derde landen, aliassen heeft gebruikt of er concrete aanwijzingen zijn dat hij uit een ander land komt dan hij stelt.
De arresten FMS e.a., M e.a. en TQ wijzen erop dat het vermelden van het land van terugkeer in een terugkeerbesluit bijdraagt aan de bescherming van de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen. Het moet voor een vreemdeling kenbaar zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt. Dan kan hij namelijk eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan, zo goed mogelijk naar voren brengen, zal hij beter in staat zijn doeltreffende rechtsmiddelen tegen het terugkeerbesluit aan te wenden (arrest Boudjlida, punten 58 en 59) en zal hij eventueel een passende verblijfsvergunning kunnen aanvragen. Als de staatssecretaris in zijn besluit geen land van terugkeer noemt of een ander land noemt dan het land waarnaar de vreemdeling in de praktijk moet terugkeren, kan dat de belangen van een vreemdeling dus schaden.
alle belangendie in artikel 5 Terugkeerrichtlijn Pro worden benoemd, enkel rekening hoeft te worden gehouden met het beginsel van non-refoulement als de autoriteiten die een terugkeerbesluit willen opleggen de vreemdeling hierover gaan horen.