ECLI:NL:RBDHA:2021:13746
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afloscapaciteit en hoorplicht bij terugvordering WW-uitkering
Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde afloscapaciteit van € 679,78 netto per maand in verband met een terugvordering van een WW-uitkering. Zij stelde dat haar financiële situatie verslechterd was en dat de verhoging van de aflossing onredelijk was, mede gelet op een eerdere betalingsregeling van € 63,49 per maand. Daarnaast beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel en het ontbreken van een hoorzitting bij het bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de afloscapaciteit correct had berekend conform de wettelijke bepalingen omtrent de beslagvrije voet en dat woonlasten boven het gemaximeerde bedrag niet meegenomen hoeven te worden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen toezegging bestond dat de regeling ongewijzigd zou blijven. De rechtbank stelde vast dat een hoorzitting ten onrechte was achterwege gebleven, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd omdat eiseres voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten te uiten.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten conform het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank benadrukte dat afwijking van de regeling alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk is en dat de financiële situatie van eiseres niet tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de afloscapaciteit van € 679,78 netto per maand bevestigd.