ECLI:NL:CRVB:2018:365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beleid UWV inzake terugkomen van onherroepelijke boetebesluiten onder WW-regime
Appellant kreeg een boete van het UWV opgelegd wegens het niet doorgeven van werkzaamheden tijdens een WW-uitkering. Na afwijzing van bezwaar en het verstrijken van bezwaar- en beroepstermijnen vroeg appellant het UWV om terug te komen op het boetebesluit vanwege zijn financiële situatie en medische omstandigheden. Het UWV weigerde dit omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant geen nieuwe feiten had aangedragen die herziening rechtvaardigen. In hoger beroep erkende appellant het ontbreken van nieuwe feiten maar betoogde dat het categorische beleid van het UWV onredelijk is, vooral gezien de hoogte van de boete.
De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan bevoegd is om een verzoek om terug te komen op een besluit te heroverwegen, ook zonder nieuwe feiten, maar dat het beleid van het UWV om categorisch niet terug te komen op onherroepelijke boetebesluiten niet aanvaardbaar is. Het bestreden besluit was ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met de Awb. Daarom draagt de Raad het UWV op binnen drie maanden het besluit te herstellen.
Uitkomst: Het beleid van het UWV om categorisch niet terug te komen op onherroepelijke boetebesluiten is onaanvaardbaar en het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien.