AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen verlenging maatregel van bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
Eiser, een Turkse nationaliteithebbende vreemdeling geboren in 1982, is sinds 4 augustus 2020 in bewaring gesteld wegens risico op ontduiking van toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure. Verweerder heeft de maatregel op 29 januari 2021 verlengd met maximaal twaalf maanden. Eiser stelde beroep in tegen deze verlenging en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. De gronden voor verlenging, waaronder zware gronden uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000, zijn voldoende gemotiveerd en feitelijk juist. Eiser betwistte deze gronden, maar kon niet aantonen dat de omstandigheden sinds de oorspronkelijke inbewaringstelling wezenlijk waren veranderd. Telefonische gesprekken in het kader van het verwijderingsproces zijn gelet op de coronapandemie toelaatbaar en hebben het proces niet vertraagd.
Verder is vastgesteld dat er zicht blijft op uitzetting, ondanks tijdelijke beperkingen door de coronapandemie en het ontbreken van een paspoort. De Turkse autoriteiten zijn bereid tot overleg zodra de situatie het toelaat, en eiser kan zelf actie ondernemen om een laissez passer te verkrijgen. De rechtbank acht het toepassen van een lichter middel dan inbewaringstelling niet passend, gezien de risico's op ontduiking en het schenden van eerdere meldplichtafspraken.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het verlengingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: L. Verhaegh).
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 augustus 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eerdere beroepen tegen het opleggen dan wel voortduren van deze maatregel zijn ongegrond verklaard.
Bij besluit van 29 januari 2021 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw.
Eiser heeft tegen het verlengingsbesluit (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Turkse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1982].
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde en zevende lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze
maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
3. Eiser voert aan dat hem op 3 februari 2021 slechts een termijn eindigende op 4 februari 2021 is gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen. Verweerder heeft op 3 februari 2021 om 8:00 uur stukken aan het digitale dossier toegevoegd. Vervolgens heeft de rechtbank op 4 februari 2021 om 16:52 uur eiser er aan herinnerd dat hij de gelegenheid had om uiterlijk op donderdag 4 februari 2021 daarop te reageren. Dit heeft eiser tijdig gedaan. Hoewel in het bericht van 2 februari 2021 het onderhavige beroep een “vervolgberoep” wordt genoemd, heeft de rechtbank het beroep tegen het verlengingsbesluit als zodanig behandeld. Niet is gebleken dat eiser in zijn (processuele) belangen is geschaad.
4. Eiser meent dat verweerder onzorgvuldig handelt door eisers zienswijze van 22 januari 2021 niet aan het dossier toe te voegen. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling nu verweerder de zienswijze van 22 januari 2021 op 5 februari 2021 heeft ingediend, zodat de rechtbank hiervan tijdig kennis heeft kunnen nemen.
5. Eiser stelt dat verweerder onzorgvuldig en onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door eiser gedurende zijn bewaringprocedure niet persoonlijk maar telefonisch te spreken. Een persoonlijk onderhoud had in eisers optiek het verwijderingsproces kunnen bespoedigen. Eiser acht het daarom onredelijk dat verweerder hem tegenwerpt dat hij onvoldoende meewerkt.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Gelet op de huidige corona pandemie mocht verweerder de vertrekgesprekken via een telefonische verbinding met eiser voeren ter voorkoming van verdere verspreiding van het coronavirus. Het feit dat de vertrekgesprekken telefonisch plaatsvonden, doet niet af aan de inhoud daarvan. Eiser heeft niet geconcretiseerd of onderbouwd op welke wijze hij door het telefonisch voeren van de gesprekken is benadeeld of hoe hierdoor het verwijderingsproces is vertraagd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. In het bestreden besluit staat dat eiser op 4 augustus 2020 in bewaring is gesteld omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het bestreden besluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 ten grondslag liggen aan het besluit tot verlengen van de bewaringstermijn:
Zware gronden
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 vanPro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
Lichte gronden
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
8. Eiser betwist alle gronden die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert aan dat verweerder voornamelijk terugvalt op de omstandigheden zoals die er waren op 4 augustus 2020. Daarmee handelt verweerder in strijd handelt met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 20141. Eiser meent dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft waardoor het voor vernietiging in aanmerking komt.
Verder stelt eiser dat verweerder de grond 3c niet mocht tegenwerpen nu verweerder het besluit waarnaar verwezen wordt niet heeft bijgevoegd bij het bestreden besluit, noch heeft geüpload in deze procedure. De grond 3f gaat niet op nu eiser geen actieve handeling heeft verricht om zich te ontdoen van zijn paspoort. Met betrekking tot de grond 3h verwijst eiser naar wat hij heeft gesteld over grond 3c. Tot slot meent eiser dat de zware grond 3i niet aan hem kan worden tegengeworpen omdat uit de laatste vertrekgesprekken blijkt dat eiser, zij het onder voorwaarden, bereid is om te voldoen aan zijn verplichting tot terugkeer.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware grond 3c heeft mogen tegenwerpen nu de feitelijke juistheid ervan niet in geschil is. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 20202 volgt dat uit de feitelijke juistheid van de zware grond onder 3c volgt dat eiser het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Ook de zware grond 3i heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, waarbij hij in beginsel heeft kunnen volstaan met de (feitelijke) verwijzing naar het standpunt van eiser dat eiser Nederland niet kan en wil verlaten. Dat eiser aan zijn vertrek een voorwaarde wil stellen, maakt deze grond niet minder zwaarwegend. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn vertrekgesprek op 1 februari 2021 zegt dat hij liever in Nederland wil wonen en dat hij bang is om in Turkije op straat te belanden, zonder inkomen en zonder medische voorzieningen. Op 19 januari 2021 verklaart eiser aan het eind van het vertrekgesprek: “ Al moet ik die 12 maanden hier nog blijven. Mijn situatie zal niet veranderen. Ik blijf gewoon wachten.”Hieruit mocht verweerder, mede gelet op eisers dossier, afleiden dat eisers niet uit eigen beweging zal terugkeren naar Turkije. Nu deze gronden de verlenging van de maatregel kunnen dragen, behoeven de overige gronden geen verdere bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er nog steeds zicht op verwijdering bestaat. Eiser beschikt niet over een paspoort en de Turkse autoriteiten zijn niet bereid om voor eiser een laissez passer (of een nieuw paspoort) te verstrekken. Daarnaast voert eiser aan dat het zicht op verwijdering afhankelijk wordt gesteld van de corona- situatie, maar die situatie zal niet op korte termijn veranderen.
11. Verweerder stelt dat, een tijdelijke sluiting van de ambassade of het consulaat vanwege het coronavirus waardoor op dit moment voor eiser geen vervangend reisdocument kan
worden verkregen, niet betekent dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beperkingen als gevolg van het coronavirus zijn van beperkte duur zijn en vormen deze derhalve een tijdelijk beletsel voor uitzetting. Verweerder wijst in dit kader naar de uitspraak van de ABRvS van 18 september 20183 en 29 april 20204. Daarnaast stelt verweerder dat niet is gebleken dat de Turkse autoriteiten –vanwege de coronapandemie– niet bereid zouden zijn eiser te helpen indien hij hierom verzoekt. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS mag en kan van eiser verwacht worden dat hij contact opneemt met de Turkse autoriteiten teneinde zijn terugkeer te bespoedigen.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. De DT&V heeft op 21 augustus 2020 bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Turkije een vervangend reisdocument voor eiser aangevraagd. Het onderzoek loopt en op 12 augustus 2020 is een Terug- & Overname (T&O) verzoek ingediend bij de vertegenwoordiger van Turkije. Weliswaar is er door de vertegenwoordiger op 20 oktober 2020 in eerste reactie verklaard dat zij niet bereid zijn de laissez passer af te geven zolang de procedures nog openstaan, maar na opschaling van de zaak door DT&V, heeft de Turkse consul laten weten dat een gesprek over lopende zaken kan
plaatsvinden zodra de corona-situatie dat weer toelaat. Bovendien kan eiser zelf actie ondernemen om aan de gevraagde laissez passer of aan een nieuw paspoort te komen. Verweerder sluit niet uit dat, indien eiser de benodigde medewerking verleent, een laissez passer spoedig zal worden afgegeven en zijn vertrek naar Turkije kan worden gerealiseerd. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel. Eiser stelt dat hij in afwachting van zijn verwijdering bij zijn broer zou kunnen verblijven, zodat met een meldplicht kon worden volstaan.
14. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 20155 en 10 april 20156 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 20147.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gronden 3c en 3i die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd en de door verweerder gegeven toelichting, op het standpunt mocht stellen dat in dit geval geen lichter middel kan worden toegepast. Eisers stelling dat hij bij zijn broer kan verblijven, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser zich niet zal onttrekken aan toezicht. Verder is van belang dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling een meldplicht had en dat deze meldplicht is beëindigd omdat eiser de met hem gemaakte afspraken heeft geschonden. Voorts is niet gebleken is van
omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder hoefde te kiezen voor een lichter middel dan de inbewaringstelling en dit voldoende heeft gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van H. Achrak, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op
12 februari 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.