Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[A], V-nummer: [v-nummer] geboren op [2019]
Rechtbank Den Haag
Eisers, allen Iraanse nationaliteit en bekeerlingen tot het christendom, dienden opvolgende asielaanvragen in nadat eerdere aanvragen waren afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder wees deze opvolgende aanvragen eveneens af omdat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij zich daadwerkelijk hadden verdiept in het christendom.
De rechtbank oordeelde dat de werkinstructie 2018/10 geen nieuw beleid vormde en dat verweerder terecht de aanvragen niet als eerste asielaanvraag had behandeld. Eisers konden niet concreet aantonen op welke punten de besluiten onjuist waren, en de rechtbank vond dat verweerder adequaat had gevraagd naar de motieven en verdieping van het geloof.
De rechtbank vond dat de overgelegde documenten, waaronder rapporten van Stichting Gave en verklaringen van een voorganger, onvoldoende overtuigend waren om de gestelde verdieping in het christendom aannemelijk te maken. Ook de bijzondere ervaringen en activiteiten binnen de kerk werden niet voldoende onderbouwd met een verband naar de verdieping van het geloof.
Ten aanzien van het terugkeerrisico naar Iran oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht aannam dat eisers niet in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staan. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en handhaaft de afwijzing van de opvolgende asielaanvragen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de verdieping in het christendom.