Uitspraak
1.ECLI:NL:RBOBR:2020:1652
3.ECLI:NL:RVS:2020:2949
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzet tegen een uitspraak van 3 juli 2020 waarin de rechtbank het beroep van geopposeerde gegrond verklaarde wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag verblijfsvergunning asiel. Opposant stelde dat de rechtbank destijds uitging van een onjuist feitencomplex, met name dat het beroep te vroeg was ingediend terwijl het feitelijk de ingebrekestelling was die te vroeg was.
De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van 2 januari 2020 prematuur was, omdat de beslistermijn op die datum nog niet was verstreken. Hierdoor was het beroep niet ontvankelijk. De rechtbank vernietigt de eerdere uitspraak en verklaart het verzet gegrond. Geopposeerde heeft nog een tweede ingebrekestelling op 20 februari 2020 ingediend, maar deze wordt buiten beschouwing gelaten.
Verder is overwogen dat de coronamaatregelen vanaf 16 maart 2020 de besluitvorming vertraagden, maar dit is niet relevant voor de beoordeling van de prematuriteit van de ingebrekestelling. De rechtbank acht geen aanleiding tot proceskostenvergoeding en wijst het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.