ECLI:NL:RBDHA:2021:15787
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermingswaardig familie- of gezinsleven
Eiseres, van Syrische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om als familie- of gezinslid bij haar dochter (referente) in Nederland te verblijven. Verweerder wees dit verzoek af omdat geen sprake was van een beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, en er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar dochter bestond.
Eiseres voerde aan dat verweerder onzorgvuldig had onderzocht en gemotiveerd, en dat de omstandigheden gezamenlijk een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie vormden, mede gezien haar medische problemen en het ontbreken van andere familie in Syrië. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had getoetst aan het juiste criterium en dat de omstandigheden, zoals samenwoning met andere familieleden en financiële ondersteuning door meerdere personen, geen bijzondere afhankelijkheid aantonen.
Daarnaast stelde eiseres dat ook de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing was en dat een gunstigere toetsing op grond van artikel 17 van Pro deze richtlijn had moeten plaatsvinden. De rechtbank volgde dit niet, omdat de facultatieve bepalingen niet in Nederlandse regelgeving zijn geïmplementeerd en verweerder een beoordelingsmarge had die gelijk is aan artikel 8 EVRM Pro.
Ten slotte werd geoordeeld dat er geen hechte persoonlijke banden met de kleinkinderen bestonden die de gebruikelijke omgang overstijgen, mede omdat de kleinkinderen ook met hun ouders samenwoonden en de zorgtaken van eiseres beperkt waren tot het naar school brengen en verzorgen van eten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.